Voorwoord

Geen kraan die je kunt opendraaien

Het geven van borstvoeding wordt in Nederland weer gewoon. In de jaren zeventig van de vorige eeuw was alleen een kleine groep vrouwen gewend om hun kinderen zelf te voeden. Slechts de helft van de vrouwen legde een pasgeborene aan. En bij drie maanden was men massaal over gestapt op moedermelk vervangende kunstvoeding. Waarom is er een kentering gekomen in de jaren daarna? Zeker niet door de medewerkers in de gezondheidszorg. Een enkele kraamverzorgende of verloskundige zal de borstvoeding nog aangeraden hebben, maar de artsen, met de kinderartsen voorop, lieten het erbij zitten en pionierden liever met blikjes tegen krampen, allergie, of met speciale vetzuren. Het leek alsof daar gezondheidswinst te behalen viel. Het zijn de ouderorganisaties zoals La Leche League, die niet alleen de jonge moeders overtuigden, zij hebben zich ook tot de medewerkers in de gezondheidszorg gericht met de boodschap dat juist borstvoeding gezonder is. Inderdaad, de verschillen tussen de blikjes zijn te verwaarlozen ten opzichte van de voordelen van moedermelk. Gelukkig, in plaats van pietluttig te doen over details, gaan ook kinderartsen zich weer richten op de hoofdzaak: de gezonde start met de meest gezonde voeding.

Toch is het geven van borstvoeding niet zo simpel als het opendraaien van een kraan. Het vereist zelfverzekerdheid, de juiste vaardigheid en kost de nodige tijd. Wat zijn de beste handigheidjes, waar hebben vrouwen de meeste behoefte aan? Wetenschappers, zorgverleners en beleidsmakers moeten in het maatschappelijke debat over borstvoeding niet alleen met voldoende academische kennis te voorschijn komen, maar ook met het besef dat vrouwen hun ervaringen ergens kwijt moeten kunnen. Slechte ervaringen stellen nieuwe eisen aan de zorg. Als beleid en zorg niet aansluiten op de actuele vragen van nieuwe moeders, als wetenschappelijk onderzoek voorbij gaat aan die vragen van moeders……dan zijn alle investeringen om borstvoeding op de kaart te krijgen en vooral te houden van beperkte waarde. Moeders gaven aan langer te willen voeden, maar misten een adequate, praktische begeleiding binnen de zorgketen.. Daarom hebben onderzoekers en zorgpartners in de kraamzorg en JGZ hun krachten gebundeld en werken ze samen , met als doel wetenschap en praktijk intensiever te verbinden. Daarbij is ook het werk van de borstvoedingorganisaties onmisbaar.

Dat dit boek voor moeders tot steun zal zijn hoop ik van harte. Dat jonge moeders in dit boek antwoorden zullen vinden op hun vragen en het leuk zullen vinden zelf te voeden, ik hoop dat dát vooral de winst zal zijn van dit vernieuwde handboek en ik complimenteer de samenstellers van dit boek met hun inspanningen daartoe.

Dr. Ko van Wouwe,
kinderarts onderzoeker TNO Kwaliteit van Leven, Leiden